Het Nederlands dilemma

Er bestaan een twintigtal definities van het begrip “politiek”. Naar mijn mening is politiek een middel om een land bestuurbaar te maken en daar komen al die definities in principe op neer.
Nederland is een land van kleine verschillen. Maar we zijn individualisten en daarom hechten we veel belang aan die verschillen.  Eigenlijk zou elke Nederlander zijn eigen politieke partij op willen richten. Hij is het slechts zelden met een ander eens. Maar omdat veel mensen het of niet aandurven, of er te lui voor zijn, verzamelt men zich toch maar, morrend, onder een vlag die hun ideeën het meest benadert.

Zo is de Nederlandse politiek, net als de religie, verworden tot een lappendeken van partijen en partijtjes waarvan de ideologieën elkaar telkens weer voor een groot deel overlappen. In de kern van de zaak zijn de verschillen niet eens zo groot, maar om zich van de ander te onderscheiden, wordt elk miniem verschilletje opgeblazen tot soms belachelijke proporties. Zet men het Nederlandse extreem links en extreem rechts tegenover bijvoorbeeld het Amerikaanse systeem, dan zouden het daar aardige centrumpartijen zijn.

Het wordt nog erger! Omdat er zoveel partijen zijn, kan geen enkele partij de absolute meerderheid behalen en moeten er coalities gevormd worden. Zelfs de kleine verschillen die er oorspronkelijk waren worden in zo’n coalitie tot bijna nul gereduceerd. Na een coalitie herkennen de mensen zich daardoor niet meer in hun partij en het gemopper begint. Een van de regeringspartijen is altijd een grote verliezer bij de volgende verkiezingen. Waarvoor hebben we nog verkiezingsprogramma's als we zeker weten dat die toch niet verwezenlijkt kunnen worden?

De enige manier om zich te onderscheiden is niet aan een regering deel te nemen. Dan hoef je ook geen compromissen te sluiten. Maar ook dat wordt niet door de kiezer gehonoreerd. Dan durft de betrokken partij geen verantwoordelijkheid te nemen, hun invloed is te verwaarlozen, en de kiezers keren er zich vanaf. Het zijn de zogenaamde "NEEN" partijen. Ze zijn bijna tegen alles.

Zie daar het Nederlandse dilemma.

Dat dilemma wordt nog eens aangedikt door de verstrengeling van lokale en landelijke politiek. Landelijke partijen nemen deel aan lokale politiek, terwijl lokale politiek en landelijke politiek nogal eens op gespannen voet met elkaar staan. Maar de landelijke politiek moet wel, omdat we nu eenmaal over twee Kamers beschikken, waarvan er een door de lokale politiek wordt gekozen.
Helaas vallen die verkiezingen niet samen zodat de eerste kamer dikwijls een heel andere samenstelling heeft dan de tweede kamer. Voeg daarbij dat de eerste kamer steeds meer verwordt tot een kopie van de tweede kamer en de chaos is compleet! Het land wordt onregeerbaar. In achterkamertjes, we kunnen die onderhand de derde kamer noemen, moeten medestanders worden gevonden om beslissingen door het parlement te krijgen.

De enigen die daar baat bij hebben zijn de partijen die nooit regeringsverantwoordelijkheid nemen. Die kunnen op deze manier nog enige invloed uitoefenen. Veel kiezers begrijpen er niets meer van en keren de politiek de rug toe.

Zijn er dan geen oplossingen? Natuurlijk zijn er oplossingen maar die lossen slechts één deel van de problemen op. Men kan de eerste kamer afschaffen en bij de tweede kamer voegen. Dat stelt een regering in ieder geval in staat om te regeren. Het grote probleem zit eigenlijk in de kleine onderlinge verschillen. Er zijn maar heel weinig trouwe kiezers. De partijen verdringen zich om die "zwervende” kiezer voor zich te winnen. En net zo als dictators hun binnenlandse problemen graag afwentelen op het buitenland, zoeken partijen zondebokken die buiten onze maatschappij staan. Vreemdelingen zijn daarvoor een veel gezocht doelwit. Het aanwakkeren van sluimerende onderbuikgevoelens is helaas een van de middelen om de aandacht te krijgen.
Er was een tijd dat de Joden de schuld kregen van alles wat er mis ging. Nu zijn het de immigranten. En zelfs derde of vierde generatie Nederlandse Marokkanen en Turken, worden niet als een van ons gezien. We vinden onszelf verdraagzaam. Maar ik vraag me wel eens af of dat waar is.